Tussen 1 en 11 november
zondag 04 november 2012 13:50

Het is 4 november en ik ben het boek van Stefan Brijs aan het lezen, Post voor mevrouw Bromley.

Op 4 november 1918 stierf Private A. Carlill van het Loyal North Lancs. Regt. , een paar dagen nadat hij in België aangekomen was. Hij was 19 en ligt begraven op het Deutscher Soldatenfriedhof in Langemark tussen 44.000 Duitse soldaten. Een week voor het einde van de oorlog. Ook Private H. Lockley van het Seaforth Highlanders ligt daar. Hij stierf op 30 oktober van datzelfde jaar.

Straks gaan we nog naar het kerkhof. Het is nog een beetje Allerheiligen. Op elk kerkhof is een heldenpark voor soldaten die sneuvelden in één van de wereldoorlogen, de enige doden die er altijd zullen blijven liggen. Op 11 november leggen de notabelen daar bloemen neer. Toen ik op de lagere school zat, moesten we daar aan meedoen, aan de Heldenhulde. Eerst een mis, dan een plechtigheid aan het monument van de onbekende soldaat naast de kerk en dan naar het kerkhof. Toen ik in het vijfde en zesde studiejaar zat, was ik de langste van de klas en kreeg daarom ik de eer de driekleur van de school te mogen dragen. Ik herinner er mij vooral van dat het altijd heel slecht weer was en ik dat dik tegen mij zin deed, eer of geen eer.

In de zomer bezochten we Ieper met mijn schoonzus en haar man die nog eens in het land waren. Ze wonen in Bournemouth en Brian, mijn zwager, had nooit de slachtvelden bezocht.

Brian Norman, ongetwijfeld was één van zijn voorvaderen het kanaal overgestoken met Willem de Veroveraar.

Tyne Cot was onze eerste halte en in het register keken we of er een Norman onder de 11.952 grafstenen lag maar dat bleek niet het geval.

Omdat we honger en dorst hadden, stopten we bij het eerste bord met ‘brasserie’ dat we tegenkwamen en dat bleek Passendale te zijn en het Memorial Museum. Toeval. Ik had de uitstap niet echt voorbereid.

Daarna wou ik hen Het treurende ouderpaar van Käthe Kolwitz laten zien en we reden naar de Duitse militaire begraafplaats van Langemark waar een niet al te vriendelijke gids mij uitlegde dat we in Vladslo moesten zijn maar we hadden Ieper nog niet gezien. Tot mijn verwondering had niemand in ons gezelschap al van Käthe Kolwitz gehoord.

In Ieper liepen we lang genoeg rond om bij het museum aan te komen als het gesloten was maar de Last Post ceremonie zouden we niet missen.

Tegen acht uur wandelden we naar de Menenpoort waar we een dozijn geïnteresseerden verwachtten maar er stonden honderden mensen te wachten op de komst van een regiment van RAF Airmen, de Friends of the Somme, nabestaanden van gesneuvelden en van Eddy Merckx. Ze legden allemaal een krans. Puur toeval dat wij daar die dag ook waren.

De volgende dag, bij het bekijken van de foto’s, besefte ik beter waar we stomweg terechtgekomen waren: in Passendale waar in honderd dagen 500.000 soldaten weggemaaid werden, in Langemark waar voor het eerst in de geschiedenis gifgas ingezet werd, aan de stadspoort waar de soldaten naar hun dood marcheerden, met Eddy Merckx, mijn jeugdheld.

Ik ben halfweg Post voor mevrouw Bromley en weet nog niet of de protagonist zich zal aanmelden om naar de loopgraven te trekken.

Vanochtend las ik in bij een kop koffie en een koffiekoek in de krant De Morgen dat Jacques Perk op Allerheiligen in 1881aan tbc gestorven is. Perk was een dichter, waarschijnlijk net zo onbekend als Käthe Kolwitz. Een jaar voor zijn dood schreef hij het gedicht Bij ’t graf:

De grijze, die zijn dorpje nooit verliet,
Had daar gezwoegd, bemind en liet er 't leven;
Waarom hij leven moest, dat wist hij niet:

Gij waant u, zwerver, boven hem verheven...
Wat deed gij, zo de dood ù nederstiet,
Dan leven, laten leven, leven geven?

In onze tuin bloeien nog rozen en in Antwerpen loopt de Boekenbeurs.

Het is november. Zondag zal er veel volk staan aan de Menenpoort.